Beleidsbrief ontwikkelingssamenwerking: zelfredzaamheid centraal!

Door Ingeborg De Meulemeester op 24 november 2015, over deze onderwerpen: Buitenlands Beleid, Ontwikkelingssamenwerking

Op dinsdag 24 november 2015 werd de beleidsbrief buitenland besproken in de commissie. Hier kan u mijn tussenkomst vinden op vlak van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking.

 

Geachte minister,

Ook dit jaar staan we opnieuw voor heel wat uitdagingen op vlak van ontwikkelingssamenwerking. Ik ben dan ook zeer tevreden dat u in de inleiding van de beleidsbrief al aanhaalt dat er een sterke mondialisering is waardoor Vlaanderen ook de effecten van politieke tegenstellingen en godsdienstige onverdraagzaamheid voelt. We kunnen ons inderdaad niet afsluiten van de structurele ontwrichting in veel landen. Echter, we kunnen ook niet een oplossing bieden voor al deze landen. Mede dankzij de keuze van enkele strategische partnerlanden kunnen we onze expertise aanwenden om hen te begeleiden naar zelfredzaamheid. Zoals het Institute for International Finance ook stelt zijn de opkomende markten, vaak in ontwikkelingslanden, immers sterk afhankelijk van de ontwikkelde landen voor hun economische heropleving. Onder meer via handel en kapitaalstromen.

Er staan de komende jaren heel wat veranderingen en nieuwe engagementen op de agenda. Zo komt er in 2016 een eerste Vlaamse Staten-Generaal voor ontwikkelingssamenwerking. Zo kunnen de verschillende beleidsdomeinen nog nauwer samenwerken met het oog op de uitwerking van de nieuwe strategienota’s.

Wanneer we ontwikkelingssamenwerking bespreken komen we onherroepelijk ook bij de millennium ontwikkelingsdoelen. Dit jaar lopen de oorspronkelijke doelstellingen af, en het succes ervan wordt mede bepaald door de persoon waarmee je spreekt. Persoonlijk vind ik dat alle verandering die we geboekt hebben belangrijk en succesvol was. Rome was niet in één dag gebouwd. Structurele verandering en vooruitgang zal ook niet in één generatie voltooid worden. Ik kijk dan ook met veel vertrouwen vooruit naar de nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen die nóg meer zullen zorgen voor een concrete samenwerking tussen donoren en ontwikkelingslanden op vlak van armoedebestrijding én klimaatverandering.

In de beleidsbrief stelt u dat ook internationale armoede een agendapunt is voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking (p. 39). Tijdens onderhandelingen over de nieuwe ontwikkelingsdoelstellingen werd meermaals bediscussieerd of klimaatdoelstellingen en armoedebedrijdingsdoelstellingen in één pakket geïntegreerd moesten worden. Uiteindelijk werd gekozen voor een sterke verwevenheid die de algehele ontwikkeling van deze landen alleen maar kan bevorderen. We moeten in de huidige context realiseren dat opkomende economieën niet zomaar een vrijbrief kunnen krijgen waarbij zij totaal geen rekening moeten houden met de klimaatakkoorden. We moeten we ontwikkelingslanden ondersteuning in hun ontwikkeling. Dit betekent dat ook zij gebonden zijn aan internationale verdragen, internationale waarden en normen en internationale akkoorden i.v.m. klimaatverandering en –financiering. Tot op een zekere hoogte kunnen we toegevingen doen om hen toe te laten hun economieën te ontwikkelen. Echter, dit mag de inspanningen van de ontwikkelde landen niet tegenwerken.

Mag ik u vragen welke rol u voor Vlaanderen ziet in de toekomst bij de uitvoering van de nieuwe duurzaamheidsdoelstellingen die tegen maart 2016 bepaald zullen worden? Welke Vlaamse prioriteiten wil u naar voor schuiven in dit kader (p. 41)?

Een ander belangrijk, maar tevens vaak controversieel, punt van ontwikkelingssamenwerking is de relatie tot de handel. Het zijn bedrijven en ondernemingen die economische groei mogelijk maken. Ontwikkelingssamenwerking en handel sluiten elkaar daarom niet perse uit.

Handel met ontwikkelingslanden moet mogelijk zijn, mits deze gebeurt in een goed gestructureerd kader waarbij de (lokale) economie niet ondergesneeuwd wordt en de bedrijven zich niet schuldig maken aan uitbuiting. Zoals eerder gezegd, ontwikkelingslanden moeten instappen in het internationale handeltoneel en ook weerbaarder worden zodat zij, op termijn, zelfredzaam worden, ook op vlak van handel, en voor hun gezonde economie niet langer afhangen van voordelen voorzien door de donorlanden. In dit kader wil ik graag nog iets verzoeken.

In de beleidsbrief stelt u dat u de Vlaamse economie op de kaart wil zetten door missies en wereldevenementen (p. 25). Is het niet interessant om tijdens deze bijeenkomsten duidelijk te maken dat ook Vlaamse bedrijven bv. actief zijn in ontwikkelingslanden en dat dit een win-win situatie is? Ik denk hierbij aan DEME, een bedrijf dat lokaal werkkrachten opleidt en tegen wettelijke vergoedingen tewerkstelt. Hierdoor worden niet enkel de banden met andere landen aangehaald, zo wordt tegelijkertijd ook de band met bedrijven in eigen land versterkt en worden zij beloond voor hun engagementen. U stelt immers ook in de beleidsbrief dat internationalisering van bedrijven nóg belangrijker zal worden. Een combinatie van beide lijkt me een voltreffer.

Graag wil ik ook hier de kans nemen om even te polsen naar de engagementen van de Vlaamse overheid inzake het mobiliseren van deze private sector binnen het domein ontwikkelingssamenwerking? Dit geldt zowel voor binnen- als buitenland. Kan u meer informatie verschaffen over de resultaten van de stakeholdersbijeenkomsten die door DiV (Departement Internationaal Vlaanderen) en FIT (Flanders Investment and Trade) werden georganiseerd inzake deze actuele problematiek?

Om de bedrijven actief in ontwikkelingslanden goed te begeleiden is het tevens belangrijk dat zij de nodige ondersteuning krijgen. De FIT kan hier een rol spelen (p. 29). De Flanders Investment Trade heeft al reeds enkele jaren enkele succesvolle begeleidingstrajecten afgerond voor beginners en ervaren exporteurs. U stelt zelf dat Vlaamse bedrijven meer gestimuleerd moeten worden om actief te zijn in opkomende economieën. Hierbij denken we voornamelijk aan Azië, West-Afrika en Latijns Amerika. Ik kan alleen maar toejuichen dat de link tussen ontwikkeling en handel hier zeer sterk benadrukt wordt. Jaarlijks organiseert de FIT immers acties over opportuniteiten voor Vlaamse bedrijven en projecten gefinancierd door internationale instellingen. Hier moet ook tijdens de komende jaren zeker voldoende aandacht aan besteed worden. Het is voor mij dan ook zeer positief dat Vlaanderen lid is van The Shift, een netwerk van ondernemers, onderzoekers, NGO’s en overheden, dat inspeelt op duurzame ontwikkeling en sociaal verantwoord ondernemen. Het feit dat Vlaanderen deze waarden en normen onderschrijft moet steeds blijven benadrukt worden bij onze eigen bedrijven actief in de ontwikkelingslanden (p. 45).

Bij de ondersteuning van de uitbouw van de economieën van de partnerlanden is het belangrijk om ook te benadrukken dat een degelijk wetgevend en regelgevend kader van vitaal belang zijn. Good governance is hierbij onmisbaar (p. 50). Goed bestuur is daarom ook terecht een transversaal thema binnen onze ontwikkelingssamenwerking. Indien de ontwikkelingslanden weerbaar willen worden op de internationale markten en het internationale toneel moeten zij ook beschikken over de nodige wetgevende achtergrond. Ook hier is de rol van scholing en onderwijs onmiskenbaar aanwezig.

Wanneer we naar de specifieke strategienota’s kijken zien we dat de focus voor Zuid-Afrika verschuift van kleine, micro en middelgrote ondernemingen (KMMO) en jobcreatie naar sociaal ondernemerschap. Dit toont aan dat we hier al een grote stap voorwaarts hebben gezet. Vanuit Vlaanderen willen we hier inzetten op innovatie die uiteindelijk de zelfredzaamheid moet bevorderen.

Tot slot wil ik nog een kanttekening maken bij de internationale handel met ontwikkelingslanden. Zoals u zelf aangeeft in de beleidsbrief (p. 37) zijn er bedrijven die handel drijven in mineralen en mogelijk gewapende conflicten financieren. In dit kader wil ik toch nogmaals verwijzen naar het voorstel van resolutie over de conflictmineralen dat onlangs werd ingediend.

Een laatste belangrijk punt van de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking is de concentratie van de partnerlanden en sectoren (p. 39). Ik ga er volledig mee akkoord dat we onze inspanningen concentreren binnen enkele vooraf bepaalde landen. Zo kunnen we onze expertise uitbreiden en delen met de landen in kwestie en kunnen we ook een vertrouwd LT engagement aangaan met het oog op zelfbeschikking en zelfredzaamheid. Eén van de sectoren waar de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking zich op richt is de jobcreatie. In dit kader zette Vlaanderen samen met de Internationale ArbeidsOrganisatie (IAO) een netwerk op voor kennisopbouw en jobcreatie. De IAO zal hierbij kennis en ervaring ter beschikking stellen van de partnerlanden Malawi en Mozambique. In Mozambique wil de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking focussen op de versterking van de gezondheidszorg door o.a. het nationaal gezondheidsinstituut (p. 41), het Pathfinderproject, Viva Afrika, en het Nationaal Netwerk voor Klimaatadaptatie in Zuid-Afrika (p. 46) te steunen. Met het oog op de nieuwe strategienota vind ik het tevens ook positief dat er meer gefocust zal worden op adolescenten. In Malawi wil u zich dan voornamelijk richten op een duurzaam landbouwbeleid (p. 42) en voedselzekerheid (p. 40). Hier wil ik toch een belangrijke kanttekening maken. Deze verschillende doelstellingen hebben één gemeenschappelijke noemer, namelijk onderwijs of ook wel scholing. Vooruitgang gaat gepaard met een expertisevergaring en "leren". Om blijvend jobs te creëren moet ook de kennis van de bevolking er op vooruitgaan zodat ze zelf innovatie kunnen leiden. Het gezondheidsinstituut moet ook zelf kunnen instaan voor de opleiding van verplegers, dokters, paramedici, etc. Ook de landbouwsector moet een vorm van scholing voorzien opdat de volgende generaties niet enkel kunnen leren, maar ook zelf kunnen innoveren. Daarom wil ik ook hier vragen om onderwijs als transversaal thema binnen de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking te benaderen. Dit naast de definiëring van gender, hiv/aids, kinderrechten, personen met een handicap, goed bestuur en duurzame ontwikkeling als prioritaire transversale thema’s in het kaderdecreet ontwikkelingssamenwerking. Het lijkt me tevens zeer belangrijk om bij de gesprekken met de partnerlanden het belang van onderwijs te benadrukken als zijnde bevorderend voor de (lokale) economie en de economische groei. In navolging van de SDG’s engageert Vlaanderen zich immers om billijk en kwaliteitsvol onderwijs en levenslang leren te garanderen voor iedereen (p. 43). Dit is inderdaad belangrijk, maar laat me toch benadrukken dat onze partnerlanden op termijn zelf verantwoordelijk moeten worden voor de opleidingen.

In eigen land is de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking ook zeer belangrijk. Draagvlakversterking is cruciaal opdat wij kunnen verantwoorden waarom wij aan ontwikkelingssamenwerking doen. De gemeentelijke ontwikkelingssamenwerking d.m.v. het Gemeentefonds (p. 48) en het project Scholenbanden van het VVOB zijn in dit kader zeer belangrijk omdat zij dicht bij de burger staan (p. 47). Ook werd de oproep voor educatie- en sensibilisatieprojecten geëvalueerd. Het budget voor 2016 voor deze projecten bedraagt 1 miljoen euro. Dit kan de burger in Vlaanderen alleen maar ten goede komen.

Op het internationale toneel wil ik ten slotte ook nog benadrukken dat Vlaanderen een zeer belangrijke rol speelt en dat we hier steeds belangrijker worden. Vlaanderen heeft zich doorheen deze legislatuur steeds meer ingeschakeld in internationale en multilaterale hulpmechanismen. Ook heb ik vernomen dat u in 2016 een samenwerkingsakkoord wil onderhandelen en afsluiten met de UNRWA (United Nations Relief and Work Agency) met het oog op een samenwerking in de Palestijnse gebieden. Dit kan de zichtbaarheid van het Vlaamse ontwikkelingsbeleid zeker in een positief daglicht stellen. Echter, hier wil ik toch de vraag stellen of er nog berichten zijn of informatie beschikbaar is over de eventuele vernietiging van UNRWA-projecten in de regio? Op welke manier werd hiertegen gereageerd en wat is het standpunt van de Vlaamse overheid hierbij?

Verder werd in juni 2015 een Vlaamse vertegenwoordiger de voorzitter van de Raad van Bestuur van het speciale VN-programma voor onderzoek over de menselijke voortplanting. Dit programma bestaat uit 25 lidstaten en 5 VN-organisaties, de Wereldbank, Unicef, UNDP, UNFP en WHO. Dit is niet enkel een erkenning voor de inzet en effectiviteit van het Vlaamse ontwikkelingsbeleid. Dit is ook een stimulans om steeds verder te gaan en de doelstellingen ook ambitieus te houden. We zijn zeker op de goede weg.

Om af te sluiten zou ik graag willen polsen naar de nieuwe strategienota’s voor Mozambique en Zuid-Afrika. Werd reeds onderhandeld met de partnerlanden over de focus regio’s en focus domeinen? Zijn er veranderingen in de wensen van de partnerlanden met het oog op een hernieuwing van de samenwerking?

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is