Beleidsbrief onderwijs: van kleuterparticipatie tot internationale ervaringen

Door Ingeborg De Meulemeester op 19 november 2015, over deze onderwerpen: Examencommissie, Hoger onderwijs, Kinderarmoede in het onderwijs, Onderwijs, Spijbelproblematiek, Werk in de Zorgsector

In de commissie onderwijs werd de beleidsbrief voor 2015-2016 besproken. Een veelzijdig document met heel wat interessante punten. Hier kan u mijn tussenkomst nalezen.

Geachte minister,

Graag wil ik toelichting geven bij enkele onderdelen van de beleidsbrief.

Inzetten op een maximale participatie aan kleuteronderwijs vanaf drie jaar

Participatie van kleuters aan het onderwijs is zeer belangrijk. Het kleuteronderwijs bereidt hen voor op het eerste leerjaar én hun verdere schoolloopbaan. Ook leren ze hier belangrijke vormen van socialisatie, waarden en normen. Voor het zevende jaar op rij was er een toename van de leerlingenpopulatie in het kleuteronderwijs. Ten opzichte van het schooljaar 2011-2012 stijgt het aantal kleuters met 3.387 (+ 1,3%). Deze stijging is terug te vinden in zowel het gewoon als het buitengewoon kleuteronderwijs. Dit is een belangrijk signaal dat steeds meer ouders het belang van kleuteronderwijs erkennen. Echter, ik wil hier toch opnieuw benadrukken dat ook voor niet-leerplichtige kleuters de aanwezigheid op school belangrijk is.

DISCIMUS speelt hier een belangrijke rol. Om kleuterparticipatie in kaart te brengen moeten scholen ten allen tijde de aanwezigheidsgegevens op correcte wijze ingeven. Het recht op een schooltoelage is immers ook rechtstreeks verbonden met een regelmatige aanwezigheid op school.

Zoals u eerder al hebt vermeld vindt u het ook belangrijk dat alle kleuters, ook de niet-leerplichtige, zoveel mogelijk naar school gaan. Wat de inschrijvingen betreft, bestaat er tussen AgODi en Kind en Gezin dan ook een engagementsverklaring waarin de samenwerking rond kleuterparticipatie vorm wordt gegeven. Er is informatie nodig over welke kleuters niet in het onderwijs ingeschreven zijn. Aan de hand van een vergelijking tussen de inschrijvingen die scholen doorgeven en het Rijksregister maakt AgODi een lijst van niet-ingeschreven kleuters.

In afspraak met Kind & Gezin gaan de regioverpleegkundigen van K&G, en dus niet de scholen zelf, de ouders van niet-ingeschreven 3-jarigen bezoeken. Ze peilen bij hen naar de reden van het niet-ingeschreven zijn en sporen hen aan tot inschrijving. K&G bezorgt aan de onderwijsadministratie feedback over het resultaat van de acties per kind. Er wordt dus actie ondernomen. Mag ik u vragen hoe u deze resultaten zal verwerken in uw nieuwe beleidsvoorstellen? Kwamen hier reeds opvallende oorzaken en redenen naar voor?

Daar waar K&G vooral actief is vanuit de lokale besturen, vind ik het ook positief dat u de scholen een verantwoordelijkheid toebedeelt. De scholengemeenschappen moeten een actief en geïntegreerd beleid uitwerken in het kader van kleuterparticipatie en binnen de scholengemeenschap één aanspreekpunt oprichten, een zorgcoördinator, voor dit thema. Die persoon is ook de contactpersoon voor externe organisaties zoals K&G, het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB), het lokaal overlegplatform, het lokale bestuur enzovoort. Dit is zeer positief, want zonder een duidelijk engagement van de scholen zelf zullen we de gezinnen nooit voldoende kunnen bereiken.

Mag ik u ten slotte nogmaals vragen naar uw concrete beleidsplannen inzake de participatie van niet-leerplichtige kleuters?

Studenten in het hoger onderwijs maximale kansen op slagen en internationale ervaring geven

Uit gesprekken met studenten heb ik al meermaals ondervonden dat internationale ervaringen steeds belangrijker worden. Hier stuiten we echter vaak op het probleem van de financiële haalbaarheid en de stappen die studenten moeten doorlopen om hun internationale ervaring in eigen land te laten erkennen.

Wat betreft de financiële drempel bestaan er heel wat mogelijkheden zoals studietoelagen van de Vlaamse overheid, studiebeurzen via bilaterale samenwerking voor bepaalde landen (China, Japan, Mexico, Québec, Slovakije en Tsjechië), en studiebeurzen via andere organisaties die o.a. actief zijn in de landen waar studenten hun internationale ervaring willen opdoen. Ik heb echter al vaak gemerkt dat de studenten niet altijd weten waar ze hiervoor met hun vragen terecht kunnen waardoor de drempel misschien soms nog wel verhoogd wordt.

In uw beleidsbrief vermeldt u wel dat u studenten meer kansen op internationale ervaringen wil geven, maar ik vind hier geen concrete engagementen over terug. Zou u hier toch over kunnen uitweiden? Denkt u hierbij aan een verlaging van de financiële drempel, een betere administratieve afhandeling, een duidelijkere aansluiting van de opleiding in eigen land bij de internationale ervaring,…?

Werk maken van werk in de zorgsector

In dit onderdeel werd al meermaals gediscussieerd over de Europese regelgeving in functie van het aantal stage-uren in de zorgopleidingen. Gezien de huidige ontwikkelingen zal er waarschijnlijk toch een studieduurverlenging komen. Dit zal niet enkel het onderwijs ten goede komen, maar ook de kwaliteit van afgestudeerden in de zorg.

Verder verklaart u dat u zal toewerken naar twee beroepskwalificaties verpleegkunde, voor de HBO5 opleiding en voor de bachelor opleiding. Het doel is om een betere en duidelijkere leerladder te creëren van de zorgberoepen. Hier wil ik toch een belangrijke kanttekening maken. We moeten absoluut vermijden dat bepaalde zorgopleidingen als "minderwaardig" worden gekwalificeerd. Elk beroep is immers nodig en elke zorgkundige, verzorgende, verpleegkundige, etc. vervult belangrijke taken waardoor zij onmisbaar zijn op de werkvloer. We moeten dan zeker vermijden dat bepaalde van deze beroepen als minderwaardig worden aanzien. Ik ben er wel mee akkoord dat er een duidelijker onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende beroepen. Wat mogen bepaalde behaalde diploma’s wel en niet doen? In theorie is het verschil al moeilijk, laat staan dat deze verschillen op de werkvloer duidelijk zijn.

Ondersteuning van lerenden versterken

Ik ben zeer tevreden dat de problematiek van vroegtijdig ongekwalificeerd schoolverlaten (schooluitval) hier specifiek benoemd wordt. We moeten inderdaad werken aan de preventieve maatregelen om in de eerste plaats te voorkomen dat jongeren ongekwalificeerd de schoolbanken verlaten. Ik kijk dan ook nog steeds uit naar de bespreking van uw conceptnota schooluitval in deze commissie.

In deze beleidsbrief stelt u ook dat jongeren op de grens tussen onderwijs en welzijn gegarandeerd leerrecht moeten krijgen. Het uitgangspunt van uw beleid is preventie. Een goede basis aangezien spijbelen en schooluitval meestal symptomen zijn van een onderliggende problematiek die vaak al jarenlang kan aanslepen. Samen met de lokale besturen, de CLB’s en andere lokale partners wil u bekijken hoe men lokaal een aanklampend beleid kan uitwerken voor die jongeren die spijbelen en dreigen de school vroegtijdig te verlaten. Dit is zeer belangrijk! Jongeren maken deel uit van een gezin, of toch een leefeenheid, en dit binnen een lokale omgeving. De lokale besturen moeten dan ook betrokken worden bij de aanpak en preventie van de spijbelproblematiek, schoolse vertraging en ongekwalificeerde uitstroom. Wat me echter niet helemaal duidelijk is, is de invulling van de term "lokale partners". Kan u hier verder over uitweiden?

Vervolgens haalt u een punt aan dat ik in deze commissie ook al meermaals heb benadrukt. We moeten een stok achter de deur hebben. Wanneer hardnekkige spijbelaars zich niet willen engageren, wanneer de ouders onvoldoende daadkracht hebben en wanneer het terugvorderen van de schooltoelage onvoldoende effect heeft, moeten we ook durven een stap verder te gaan. Hierbij bedoel ik het justitiële luik. Het rapport "wie is er niet als de schoolbel rinkelt" voorziet in heel wat informatie omtrent de spijbelproblematiek en het niet naleven van de leerplicht. In het document wordt de hele weg beschreven die doorlopen wordt om te controleren of leerplichtige leerlingen al dan niet tegemoet komen aan hun leerplicht. Op een bepaald moment in het traject worden een aantal dossiers met ontoereikende informatie doorgestuurd naar het parket. Voor het schooljaar 2012-2013 werden er voor het basisonderwijs 102 dossiers doorgestuurd, en voor het secundair onderwijs 191. Opvallend is dat van dit aantal, reeds in december voor het basisonderwijs 68 en voor het secundair onderwijs 82 dossiers werden doorgestuurd. Hierbij zou het gaan om situaties waarbij er het vorige schooljaar ook geen bewijs van naleving van de leerplicht werd teruggevonden. Deze dossiers werden bijgevolg automatisch doorgestuurd naar het parket. De volgende stap in het traject bestaat erin dat het parket feedback verschaft over deze dossiers. Net hier vinden we opvallende cijfers terug. Van de 96 dossiers in het basisonderwijs (er werden 6 dossiers herroepen), werd er maar voor 33 dossiers feedback bezorgd. In het secundair onderwijs werd er voor 181 dossiers (er werden 10 dossiers herroepen) feedback gevraagd, maar werd er maar voor 98 dossiers effectief feedback ontvangen. Een opvallend verschil. In het rapport wordt de volgende verklaring gegeven: "Uit bovenstaande cijfers valt op dat het aantal dossiers waar het Agentschap voor Onderwijsdiensten feedback van kreeg, relatief laag blijft. De meeste dossiers waar AgODi geen feedback van krijgt, gaan over kinderen die behoren tot de trekkende bevolking. Dat wil zeggen dat de ouders binnenschippers, kermis- of circusartiesten, of woonwagenbewoners zijn. Deze kinderen hebben wel een domicilieadres in Vlaanderen, maar verblijven meestal niet op dat domicilieadres". Ik wil hier toch nogmaals opnieuw benadrukken dat het me ten zeerste verbaasd dat het hier vaak gewoon ophoudt. Mag ik u vragen waarom er vanuit de administratie geen stap wordt verder gegaan en van de parketten wordt geëist dat er feedback komt? Hoe kan een goede samenwerking anders tot stand komen die ook effectief gericht is op het verminderen van het aantal spijbelaars? In de beleidsbrief stelt u immers dat uw administratie ook deelneemt aan het expertisenetwerk schoolverzuim van het college van procureurs-generaal om de spijbelproblematiek op de agenda van de meer justitiële partners te krijgen. Mijn eerste vraag, welke partners bedoelt u exact? En ten tweede, zal de problematiek van onvoldoende en vaak ontbrekende feedback en terugkoppeling ook besproken worden in dit expertisenetwerk?

Uitrollen van het beleid voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften

De uitrol van het M-decreet is een feit. Net zoals bij vele veranderingen zijn er voor- en tegenstanders. Wel vind ik het positief dat binnen de welzijnssector het onderscheid tussen schoolgaan en niet-schoolgaand verdwijnt. Dit was een ouderwetse en arbitraire onderverdeling. Ook kinderen en jongeren die niet (meer) naar school gaan kunnen immers een vorm van opleiding volgen. Een hoogdringende aanpassing die de dossiers enkel maar ten goede kan komen.

Verder stelt u dat leerlingen ook, onder bepaalde voorwaarden, vrijgesteld kunnen worden van de leerplicht. Echter, u gaat ook meteen over tot het vermelden van één van mijn bezorgdheden. We moeten vermijden dat téveel leerlingen in dit nieuwe systeem zouden worden vrijgesteld van de leerplicht. U heeft hiervoor de opdracht gegeven aan uw administratie om een referentiekader uit te werken voor de beoordeling van de aanvragen waarbij de focus ligt op kinderen met ernstige meervoudige beperkingen en kinderen met ernstige gedragsproblemen. Mag ik u vragen hoe u de ernstige gedragsproblemen hier zou definiëren? Zal u hier ook het CLB inschakelen in de beoordeling?

Ik dank u.

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is